De levens uit Verpand en Verder kruisen elkaar in een nieuw verhaal: lees hier een fragment.

Ruud zit onder een grote parasol aan twee tegen elkaar geschoven tafeltjes met twee vrouwen, waarvan ik er een direct herken – droomvrouw Judith – en waarvan de andere me eveneens bekend voorkomt. Hij straalt alsof ze samen al jaren een gelukzalige driehoek vormen.

Judith staat als eerste op om mij de hand te schudden. Ze is net als op de foto in de Sabato, maar dan echter. Ik bedoel, ze beweegt, praat en lacht en geeft me een warme zachte hand. Ze is innemend en klinkt heel Nederlands. Niet als Mil, niet Amsterdams, gewoon zonder enig accent. 

Ondertussen schudt Tara de vrouw naast Judith de hand. In de jaren dat we samen zijn heb ik leren kijken naar Tara. Ik denk inmiddels van haar gezicht te kunnen aflezen wat zij ziet en voelt als ze naar mensen kijkt. Op dit moment voel en zie ik dat ze zich even geen raad weet, diep onder de indruk is. En ik begrijp haar volkomen als tot me doordringt wie ze de hand schudt. Het is de vrouw van die ene zaterdagmiddag in mijn moeders winkel, de vrouw van dat zinnetje “Het moet heerlijk zijn om nog een moeder te hebben”. Ook ditmaal is ze in salopette. Normaal gaan bij het zien van een tuinbroek bij mij automatisch klokken beieren – überlesbisch! – met dat verschil dat deze vrouw net zo min lesbisch is als dat ik Fins-Oegrisch spreek.

Straks, thuis, zullen we erover praten, lekker nakletsen zoals we altijd doen. Daar verheug ik me nu al op. Ik zie Tara plaatsnemen naast de vrouw uit mijn moeders winkel die momenteel mijn hand schudt. Haar hand is koel, haar vingers net zo tenger en fijn als de rest van haar lichaam. Ik versta Tes en een halve achternaam – iets met een O – en beland op de stoel naast Judith. Ik vraag me af of Tes mij op haar beurt heeft herkend. Waarschijnlijk niet.

Ze is onderhoudend, Judith. Ze vraagt meteen naar m’n werk, hoe ik Ruud heb leren kennen, waar ik woon. Uit m’n ooghoeken zie ik Ruud glazen wijn en water inschenken en hoe Tara en Tes ongemakkelijk naast elkaar zitten te zwijgen en af en toe in het ijle glimlachen. Net als ik me ook ongemakkelijk begin te voelen, al was het maar omdat ik Ruuds droomvrouw als gesprekspartner heb ingepalmd, verschijnt Ruuds vriend Olaf ten tonele. Olaf die ieder jaar een weekendje met Ruud gaat raften in de Ardennen. Olaf met z’n strogele ontembare kapsel dat ongedurig uit z’n hoofd groeit. Olaf die sinds hij drie jaar geleden gescheiden is geen enkele vrouw meer recht in de ogen kijkt en zijn twaalfjarige zoontje wekelijks vertroetelt met uitstapjes en gadgets in de hoop dat hij zijn trouweloze moeder nooit meer zal willen zien. Die Olaf dus.

Er worden menu’s uitgedeeld door een ober die Judith lijkt te kennen en heel even is onze tafel een vrolijk gezelschap dat elkaar al jaren frequenteert. We klinken alvast terwijl Olaf snel een pint bestelt en dan doven we als een nachtkaarsje uit, bestuderen we stilletjes de kaart.

Judith buigt zich naar mij toe en knipoogt. Ik vraag me af of ze net als Mil half-Surinaams is. ‘Altijd even wennen, hè?’ zegt ze vriendelijk. ‘Zo in een nieuw groepje te worden gegooid, al is het nog zo klein…’

Ik knik. In dit gedruis straalt ze inderdaad als enige een soort rust uit. Ruud zou hier beter alleen met haar zitten, hij doet duidelijk een offer en dat waardeer ik. Hij doet een poging ons in zijn nieuwe leven te betrekken. Ik kijk op in Judiths witte oogwit dat met haar tanden harmonieert. Ze kijkt me onderzoekend aan. ‘Trek?’ wil ze weten.

Ik heb het gevoel dat ze me vanavond karton voor pasta kunnen serveren en dat ik het verschil niet zal proeven. ‘Razende trek’, hoor ik mezelf zeggen.

Ze lacht en slaat haar lichtblauwe benen over elkaar. ‘Hij zei het al!’ roept ze grinnikend uit.

Iedereen kijkt op van z’n kaart. Ik wacht voorzichtigheidshalve met m’n antwoord totdat ze allemaal weer aandachtig lezen. ‘Wat zei hij?’ Ik fluister haast.

‘Dat je niet liegen kan.’

Met de hoofdgerechtversie van de kipsalade die ik heb besteld kun je makkelijk de honger van een dozijn middelgrote scouts stillen. Zodra hij voor me stond, had ik geen eetlust meer. Ik zie dat Tara haar kleine versie van de Griekse salade, waarover een halve kilo feta is uitgekieperd, nauwelijks heeft beroerd, terwijl Tes zich geduldig door een oceaan van dagsoep heen werkt en Judith met behulp van haar vork en steakmes haar calamares fritti op een bedje van krulsla tot babyvoer versnippert. Alleen Ruud en Olaf zitten achter twee borden die zo weer de kast in kunnen.

In tegenstelling tot onze milde honger zijn we toe aan onze tweede fles rosé die door de ober opnieuw in een ronde wordt uitgeschonken.

Judith schuift haar bord van zich af. ‘Ik eet niet veel als ik verliefd ben’, vertrouwt ze me toe.

Ik kijk wat angstig naar Tara die hetzelfde doet. Haar bord wegschuiven, bedoel ik. Tes lepelt nog steeds moedig soep naar binnen. Ik probeer me te bepalen tot Judith.

‘Ik krijg met deze hitte sowieso nauwelijks een hap door m’n keel’, antwoord ik.

‘Ben jij dan niet verliefd?’ vraagt ze lachend met een veelbetekenende blik naar Tara en van die vraag schrik ik zo dat ik besef dat mijn humor ergens op een verre wei graast.

Na de rosé schakelen we over op mojito’s en op de een of andere manier is dat onze redding. Iedereen raakt met elkaar aan de praat. Ruud en Olaf zijn verwikkeld in een discussie over genetische manipulatie, terwijl Judith mij over haar werk – duidelijk haar grote passie – vertelt. Ik probeer zo nu en dan mijn oren te spitsen voor het gesprek dat zich schuin tegenover mij ontsponnen heeft. Tes en Tara zitten met de hoofden dicht bij elkaar op gedempte toon te praten. Beiden kijken heel serieus en tegelijkertijd lijken ze in vervoering, alsof ze zich totaal onbewust zijn van hun omgeving.

Dit is geen jaloezie, stel ik onthutst vast. Dit komt niet eens in de buurt van jaloezie. Ik sta hier totaal buiten, hier gebeurt iets waarin ik niks te zeggen heb. Dit is onomkeerbaar. Dat zie ik en dat voel ik.

Judith volgt mijn blik. ‘Heeft Tara ooit ook een partner verloren?’ vraagt ze zacht.

Ik staar haar betrapt aan. ‘Hoe bedoel je?’ Geen idee wat Ruud zijn Judith allemaal al over ons heeft toevertrouwd.

‘Tes heeft haar partner verloren, jaren geleden, na een relatie van zeventien jaar. Daar hebben ze het over, volgens mij.’ Haar ogen staan bezorgd, alsof ze gedachten lezen kan.

‘Ja’, is alles wat ik kan uitbrengen. Ze delen een verlies, denk ik erachteraan, Tara deelt haar verlies van Lisette dat ze nooit met mij heeft kunnen of willen delen. Dit is het begin van het einde.